Ab Kok over zijn boek ‘In de bonen zijn’: ‘Een kopje thee zetten, hoe ging dat ook alweer?’

Ab Kok (1955) werkte jarenlang als docent in het speciaal voortgezet onderwijs, de laatste periode als stagecoördinator. Hij is ook bekend als ‘sprokenist’ (verhalenverteller van sprookjes) en als muzikant die het podium deelde met onder anderen Joep Smeenk (Gotcha!). Afgelopen week is zijn boek ‘In de bonen zijn’ verschenen, waarin hij – vaak op geestige wijze – beschrijft hoe hij enkele jaren geleden werd geconfronteerd met een herseninfarct. Hoogste tijd voor een gesprek, bij Ab thuis in Vogelenzang. Mét Baantjer-ontknoping.

door Paul Lips

Ab Kok (foto pl)

“Kun je dat aan, om dat hele eind te fietsen?”, vraagt Ab Kok voorafgaand aan de ontmoeting aan de telefoon. Een vriend van hem uit Haarlem vond Vogelenzang namelijk té ver weg om nog op bezoek te gaan, dus die gaf daar de brui aan. De verslaggever echter is gewend om flinke stukken te fietsen. Op een grijze dag vol noordenwind meld ik me bij Kok thuis aan het water. Waar de houtkachel gezellig knettert. Maar waar Ab Kok een tikje in verwarring is. “Waar heb ik die inktvis nou toch gelaten die ik had gekocht? Hij ligt niet in de koelkast. Nou ja, die duikt wel weer op.” En bij die vrolijke chaos in zijn hoofd kun je dan een aanstekelijke, bulderende lach verwachten.

Ab Kok laat zich niet gek maken, zoveel is al meteen duidelijk. “Nee, ik leef niet in angst. Ik hou me keurig aan de regels, dus doe ook altijd netjes dat mondkapje op. Maar eigenlijk geniet ik me dagelijks een slag in de rondte.”

Hij heeft sinds zijn herseninfarct last van een korte termijngeheugen-stoornis. “En een geografie-stoornis, dus ik moet ook altijd gebruik maken van een tomtom als ik op pad ga met de auto. Gek genoeg kan ik nog wel gewoon autorijden. Maar die geheugenstoornis ervaar ik dus ook met lezen, of met koken. En wachtwoorden, daar heb ik last mee. Met name het feit dat je altijd zo veel verschillende wachtwoorden moet gebruiken tegenwoordig. En ik moet altijd denken: waar is mijn mobiel, waar is mijn portemonnee. Ik heb trouwens nu een manier om mijn portemonnee met mijn mobiel te kunnen bellen, hahaha!”

Aan een van de wanden in het knusse huis hangt een assemblage van beeldend kunstenaar Eugène Brands (1913 – 2002). Daarin is een enorm pannendeksel verwerkt, alsook de tuit van een gieter. Het kunstwerk sluit helemaal aan op de denkwereld van Ab Kok. Dat alles kunst kan kan zijn en dat men zich vooral open zou moeten stellen voor het absurdisme. Iets waar hij later in het gesprek nog even op terug zal komen.

Maar eerst terug naar zijn pas verschenen boek ‘In de bonen zijn‘. Het slaat op het gevoel dat hij kreeg toen hij was overvallen door dat nare herseninfarct. In meeslepende bewoordingen verhaalt Kok over de chaos die hem overviel in de zomer van 2015, toen hij zijn partner Marijke en haar vriendin op Schiphol had afgezet voor een vakantie op Bali. Ab zou voor het paard Kelsey zorgen en deze bejaarde merrie dagelijks van eten voorzien.

“Dan loop je daar in dat weiland. Met een halster. Dat je bij jezelf denkt: wat is er in gódsnaam aan de hand. Ik ben bij een paard geweest. Maar wat nu. Jezus, waar ben ik? Ik zie daar m’n fiets staan. Nou, dat je dan maar naar huis bent gereden, volledig op de automatische piloot. Totáál de weg kwijt zijn. Maf is dat. Je kunt je er op dat moment geen voorstelling van maken hoe het afloopt.”

In meeslepende stijl beschrijft Ab Kok hoe hij – eenmaal thuisgekomen – besluit maar ‘even te gaan liggen’. En na een paar uren in zijn slaapkamer ontwaakt, géén idee hebbend hoe zijn huis er verder uit zou kunnen zien (terwijl hij daar al jaren woont). Hoe hij lange tijd verdwaasd naar het interieur van zijn woning staart, zich verwonderend over maar liefst vier afstandsbedieningen. Een kopje thee zetten, hoe ging dat ook alweer? De huisarts bellen, maar hoe? Eerst nog maar eens flink slapen.

“Nou, uiteindelijk slaagde ik er dus in m’n huisarts te bellen. Kom maar langs, zei hij. Ik: ja, eh, kom maar langs?? Waar zit jij met je praktijk? Ik uiteindelijk dus op automatische piloot naar zijn praktijk gereden. Toen hij me zag liet hij alles voor wat het was en zei ‘kom, we gaan even een stukje rijden’. Vervolgens zijn we dus naar het Spaarne Ziekenhuis gereden, waar ik wezenloos op een bankje voor me uit heb zitten kijken. Mijn huisarts zei: er bestaat een kans bestaat dat je hier een paar dagen moet blijven. Maar twee uur later stond ik buiten. Ik mankeerde niks. Yés, dacht ik bij mezelf, ik mankeer niks!”

Dagelijks bezoekt hij de oude merrie Kelsey en probeert de verzorging zo goed mogelijk uit te voeren. Namen van andere bezoekers van de manege weet hij zich niet meer te herinneren. De avondmaaltijden bestaan uit tuinbonen, tuinbonen en nog eens tuinbonen, die hij enkele weken daarvoor heeft ingevroren. Want die tuinbonen, die kweekt Ab Kok zelf op zijn volkstuintje in Vogelenzang.

“Ik heb in die drie weken de héle vriezer leeggevreten met die tuinbonen. Ja die groene dingen. Die heb ik úren meditatief lopen ritsen in de tuin. Héél veel tuinbonen. Weken. Maar die zijn lekker hoor, die tuinbonen. Met ‘n spekkie d’rbij. Fantastisch eten is het. Dubbel gedopte tuinbonen. Koken. Afkoelen. Dan worden ze rimpelig. En dan moet je ze daarna nog een keertje doppen. Uiteindelijk hou je een prachtige, delicate maaltijd over. Met een klein beetje spek er bij en krielaardappeltjes. Glaasje wijn erbij ik ben gelukkig, hahaha!”

Hoewel de interviewer persoonlijk niet zo van de term houdt, zou men dit boekje kunnen ervaren als een ware ‘pageturner’. Steeds opnieuw beschrijft Kok op boeiende wijze zijn ‘gevecht’ met de dagelijkse gang van zaken. Vooral de wijze hoe hij kan genieten van oude afleveringen van de serie ‘Baantjer‘ zijn grappig om te lezen. En: omdat hij zijn korte termijngeheugen kwijt is, kan hij er iedere keer weer opnieuw van genieten alsof het de eerste keer is dat hij zo’n aflevering ziet.

“Báántjer. Zó lekker rustige televisie. Overzichtelijk. Altijd twee verhaallijntjes. En dan gaan ze op een gegeven moment wat drinken bij het café van Lowietje en dán komt dat moment dat De Cock iemand iets hoort zeggen en dan bedenkt: ‘Oh maar dát is er aan de hand! Nú weet ik wie de dader is!’. Die regelmaat en die rust. Dat overzichtelijke. Net zoals bij Laurel & Hardy. Het is duidelijk. Het gaat kapot. Die piano. 100 jaar geleden maakten ze dit. Die verhaaltjes gaan altijd hetzelfde. Het gaat altijd fout. Héérlijk, hahaha.”

Vijfenzestig jaar is Ab Kok nu. Toen hij voor zijn werk bij Heliomare in Wijk aan Zee moest zijn heeft hij gezien hoe anders het kan gaan met mensen die te maken krijgen met een herseninfarct. Depressiviteit. In een rolstoel belanden en praktisch niks meer kunnen. Hij toont zich gezegend dat-ie zoveel mazzel heeft gehad en nog van alles kan. “Ik heb doorgaans een opgeruimd humeur. Hoewel ik nu nog steeds ben vergeten waar nou die inktvis ligt, hahaha!”

Qua werk is hij 100 procent afgekeurd. De laatste jaren werkte hij als stagebegeleider voor leerlingen is het speciaal onderwijs. Veel naar boerderijen toe. Probleem was dat hij de namen van de leerlingen niet kon onthouden. Maar lachen was het altijd wel met ze, dus is het jammer dat dat aspect uit zijn leven is verdwenen. Aan de andere kant: “100 procent afgekeurd. Yes! Duidelijkheid.”

Eigenlijk heeft-ie het drukker dan ooit. De kippen verzorgen, de eitjes ophalen. Hout hakken. Kloven. ‘s Avonds koken. En schrijven. Hij denkt alweer aan een opvolger voor ‘In de bonen zijn’. Maar waar dat over zou moeten gaan is nog even een raadsel.

We praten over zijn muzikale escapades met Joep Smeenk, de saxofonist die furore maakte met onder meer Gotcha! Samen maakten ze éen half uurtje herrie’. Lekker strak repertoire voor saxofoon en Joep destijd nog op klarinet. ‘De Mensheid’ noemden ze zich en speelden op allerlei plekken.

Daarnaast was Kok actief als ‘sprokenist’ die bij mensen op visite ging om ze – vaak voor het slapen gaan een sprookje te vertellen. Hij kwam overal, van bejaardentehuizen tot gevangenissen. Maar vooral veel bij de mensen thuis. Daar moest het dan wel graag meteen gezellig zijn. Stoel bij het bed en dan begon de magische wereld van het sprookje. ”Maar als ik zo’n slaapkamer binnenstapte dan zei ik steevast ‘mooie lamp overigens’ á la Sjef van Oekel.

Dat acteur Porgy Franssen nu furore maakt met het fenomeen ‘slaapverhalen vertellen’ deert hem niet. Kok weet dat hij de eerste was die er serieus werk van maakte. ”Maar ik heb hem toch wel even een mailtje gestuurd hoor, om hem te laten weten dat ik daar eerder mee was.”

Hij toont nog wat zelfgemaakte assemblages en vertelt over zijn absurdistische escapades met vriend en collega Arjan Bosch. Van alles verzonnen ze, vreemde hoorspelen, idiote collages en de figuur ‘Ben Zwijmelteef’ die allerlei maffe avondturen beleeft. Een beetje ontregelen, want ‘er is toch iemand die het hoort of er naar luistert’.

Over horen gesproken. Ab Kok ergert zich al jaar en dag aan het feit dat er altijd en overal muziek moet klinken. ‘Zondermuziek.nl’ heet zijn website waar hij met enige regelmaat iets op schrijft. Toch weet hij muziek zeker te waarderen. Sjostakovich. “Ja, ik ben een echte muziekliefhebber hoor. Alleen Haydn, dat vind ik niks. Maar bijvoorbeeld Marianne Rosenberg, of Johnny Cash, Wat was ik nou aan het zoeken? Oh ja, Chet Baker. Ge-wél-dig! Zowel als hij trompet speelt als wanneer hij zingt. Als je voor mij ‘My Funny Valentine‘ bij dit artikel wilt plaatsen maak je me blij.”

Ab Kok, ‘In de bonen zijn’, (16,99 euro) is verschenen bij Boekscout. EAN 9789464312713

NASCHRIFT:

We eindigen dit artikel graag met een ontknoping zoals we die kennen van de serie Baantjer. Als De Cock en zijn collega’s gezellig een cognacje nuttigen en de opgeloste zaak nog eens met elkaar doornemen.

Mevrouw De Cock: “Maar hóe zat het nou met die inktvis?”

Ab Kok (anderhalve week later): “Die inktvis die ik zocht: die lag al in de vriezer. Lachen toch!!!!!”

paulenremco

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *