Haarlemmer Harmen Malderik (74) is dichter en prozaschrijver. In februari kwam zijn poëziebundel ‘Nooit loopt de weg dood’ uit, met daarin gedichten over sport in de ruimste zin van het woord. Harmen Malderik is een van de spaarzame Haarlemse dichters die zijn werk ook echt uitgegeven weet te krijgen. Daar willen we meer van weten.

interview: Paul Lips
fotografie: Remco van der Kruis

Harmen, bij het fenomeen ‘sportgedichten’ ben ik geneigd te denken aan een soort heldendichten. Poëtische odes aan grote sporters.
“Ja, dat hoor ik dus vaker. ‘Schrijf jij sportgedichten?’, klinkt het dan, en dan voel je bij de vraagsteller een soort stille hoop dat ik in die gedichten bepaalde sporthelden eer. Het woord ‘held’ is natuurlijk gedevalueerd. Mensen noemen te pas en te onpas iemand een held. Maar bij mijn poëzie gaat het me niet om de prestatie of dat iemand een held is. Ik probeer er iets achter te zoeken. Toen renner Johnny Hoogerland in het prikkeldraad langs de weg belandde begonnen allerlei wielerfans te roepen ‘wat een held’. Maar dat is dan toch geen held? In mijn gedichten wordt er flink gezwoegd, fietsen renners over kale cols en verhitte Alpendalen en worden ze door het peloton aan de kant gezet. Zelfs geen klok wacht nog op ze. De eenzaamheid rekt zich verder en verder uit.”

Ik wil een held zijn, maar ik kan zo hoog en
laag springen als ik wil, nooit en voor niemand
word ik een held zolang ik niet de Beker win
beland in het Guiness Book of Records of
desnoods in het prikkeldraad.
(fragment uit ‘Helden‘)

“Zelf ben ik ook wel eens over de kop geslagen. In m’n studententijd. Toen fietste ik naar Nijmegen toe. Ik kende die weg uit m’n hoofd. Dan moest je het veer over en dan… Maar het was ‘s avonds. Ik reed op een racefiets, ik was in die tijd nog bijna de enige die op zo’n ding reed. Ja, met lampjes, dus ik werd in elk geval gezien door ander verkeer. Maar die kleine lampjes schijnen natuurlijk niet ver. Ik kende het fietspad van buiten. Maar in die omgeving werd net het station Dukenburg (Nijmegen-Zuid) gebouwd. Toen ben ik dus volle bak tegen zo’n rood-wit hek geknald en er overheen gevlogen. Mijn fiets total loss. Ik was duizelig en ben toen naar een vriend gestrompeld die daar in de buurt woonde. Dat hek was trouwens niet verlicht. Ik melding maken bij de politie. Ze zeiden: ik had toch uit moeten kijken want er had érgens een bord gestaan. ‘Fietspad afgesloten’.”
Het sporten gaat de personages in de gedichten inderdaad ook niet gemakkelijk af. Veel eenzaamheid, kromgebogen nekken, gezweet en geploeter. En dan is er ook nog iemand die de marathon van New York heeft gelopen en dat van z’n bucketlist kan afschrijven. Een geestig gedicht.
“Een hardloper was ik. Ik loop nu ook nog wel, maar niet zo hard meer. Want hardlopen levert na een bepaalde leeftijd altijd blessures op. Maar ik heb vroeger wel marathons gelopen. Ik refereer daar aan in dat gedicht ‘New York!’ Er zijn mensen die doen daar dus vijf of zes uur over. Dat noem ik niet echt de marathon lopen, dat is meer wandelen. Toen ik de marathon van Amsterdam liep was er een limiet van vier uur. Dat beschouw ik als het lopen van een echte marathon. Die TROS Loop die je hier had in Haarlem heb ik ook verschillende keren gelopen. Altijd 21 kilometer.”

Dichter Harmen Malderik
Sport je nog steeds?
“Tot op de dag van vandaag doe ik twee keer in de week aan sport. Ik fiets veel in de zomer, ook samen met mijn vrouw Gabrielle. Zowel in binnen- als buitenland. In de winter ga ik twee keer in de week naar de ijsbaan. Dat doe ik consequent. Dat lopen wat ik vroeger deed dat ontstond toen gewoon. Ik ging twee keer in de week hardlopen in Middenduin. Om fit te blijven. Maar ik heb in mijn leven altijd veel aan sport gedaan. Vroeger in Ravenstein, een stadje aan de Maas, aan de spoorlijn Den Bosch – Nijmegen, daar had je de plaatselijke voetbalclub. Ik voetbalde al vanaf dat ik heel jong was. In Ravenstein groeide ik op, later ging ik naar de kostschool in Weert. En weer later ben ik rechten gaan studeren in Nijmegen.”
“Ik ben jurist van oorsprong. In het begin werkte ik als kandidaat-notaris. Vervolgens ben ik daar uitgestapt, want het beviel me niet. Maar dat ik voor die carrière koos kwam voort uit de familie, mijn vader was notaris. Ik heb mij vervolgens gevestigd als juridisch tolk-vertaler. Mijn klanten kwamen vooral uit het notariaat, de advocatuur enzovoort. Ik heb overigens ook nog een half jaar gestudeerd in Aix-en-Provence. Daar kwam ik in aanraking met poëzie. Baudelaire, Verlaine, Rimbaud. Die las ik dan in het Frans. De liefde voor poëzie werd in die jaren aangewakkerd.”
“Mijn echte naam is Herman van Mourik. Maurik is een plaats in De Betuwe. Daar had je ook het kasteel Malderik. Mijn oudste broer doet aan genealogie, hij heeft een boekje, daar staat ene ‘Harmen van Malderick’ in. Dus die naam heb ik gekozen als pseudoniem. En de ‘van’ en de ‘c’ gewoon weggelaten. Een pseudoniem was handig omdat ik mijn proza en poëzie liever niet onder mijn eigen naam wilde publiceren, in verband met die juridische werkzaamheden. Dus dat pseudoniem hanteer ik nog steeds. Een Brabander in Haarlem, sinds 1975.”

De fietser

Hoe de klim heet weet ik niet – namen doen er niet toe
voor iemand die geen roem zoekt.

Mijn rugzak weegt vijf kilo, dat is gelijk aan het
lichaamsgewicht dat ik in vijf dagen ben verloren.

Haat en liefde houden me in evenwicht.

Ik trap tussen afbrokkelende muren door – de laatste
zucht van een stervend gat.

De lucht trilt boven een desolaat plateau waarover
zich een weg traag van mij weg spiegelt.

De weg is onafzienbaar maar ik zie niet af.

Ik raak in een trance, raak de weg kwijt op een weg
waar je de weg niet kwijt kunt raken.

Plotseling word ik gewekt uit mijn transcendentale
middagslaap.

Koeien bellen bruinbehaard langs wijd om mij heen
heuvelende hellingen.

Mijn hoofd gaat gebukt onder een vlammend vuur – ik
reis niet door de hel maar onder een helverlichte hemel.

Mijn benen, niet verzuurd, draaien onvermoeibaar
voort door een schitterende leegte.

Nog twee uur, dan ben ik weer onder de mensen.

Ik ben een fietser in extra tijd.

Dichter Harmen Malderik

Ik begrijp dat je pas laat zelf proza en poëzie bent gaan schrijven…
“Ik ben begonnen met dichten in het jaar dat Woorden in de Waagschaal in De Waag begon. Ja, daarvoor heb ik ooit wel eens een gedicht geschreven, in de schoolkrant, of met sinterklaas. Ik schrijf trouwens wel nog steeds gedichten voor de Kampheilige, de wijkkrant hier in het centrum. Dus ik bezocht die maandelijkse avonden in De Waag met Dries Havermans en Nuel Gieles die dat presenteerden en dat hele groepje daaromheen. Het eindigde vaak in café De Oude Florijn. Het was die warme zomer van 2003. Toen begon dat schrijven voor mij dus zo’n beetje. Pas in 2016 heb ik mijn eerste bundel uitgegeven. Ik had heel veel gedichten geschreven en ben gaan selecteren. Want je moet je onderscheiden natuurlijk. Er verschijnt zó veel. Ik dacht bij mezelf: ik kan wel over een ongelukkige jeugd gaan beginnen, maar ik heb geen ongelukkige jeugd gehád. En een slamdichter ben ik ook niet. Dat had ik misschien wel leuk gevonden als ik jonger was geweest. Dus ik begon langzaam aan ook op te treden. In de Bibliotheek Amsterdam, café Eijlders, tijdens de Haarlemse Dichtlijn op Hemelvaartsdag. Dat vind ik trouwens een hele mooie activiteit, daar komen écht veel mensen op af. Dichters én belangstellenden, ook uit andere steden.”
Kun jij trouwens schrijven als je aan het sporten bent, of stop je dan om aantekeningen te maken?
“Ik maak op zo’n fiets bijna nooit aantekeningen. Maar als ik dan thuis ben dan komen die gedachten weer terug. Dan noteer ik ze. Dat laatste gedicht in de bundel, ‘De fietser’ gaat over de trance van het fietsen. Ik helemaal alleen in de hitte op een berg. Mijn idee over poëzie is dat je in originele bewoordingen moet proberen iets van een andere kant te laten zien. Niet het vanzelfsprekende laten zien. Gedichten gaan vaak over dingen die erg zijn, ziektes, dementie enzovoort. Dat is heel legitiem om daar over te dichten. Maar je moet proberen een invalshoek te zoeken die origineel is. Dat is niet makkelijk. Dat is zelfs heel moeilijk.”
En daar ben je prachtig in geslaagd met deze aan te raden bundel. Maar ‘Nooit loopt de weg dood’ heeft tot nu toe nog niet al te veel aandacht gekregen in de media.
“We hebben geen presentatie gedaan vanwege de pandemie. Maar de uitgever heeft wel een grote mailing gedaan. Zelf ben ik ben niet het type dat mensen achterna gaat lopen. Mijn vrouw Gabrielle doet dat wel meer, die gaat wel eens een boekje langs brengen. Op de poëziesite Meander staat een interview dat Alja Spaan in april heeft gemaakt. Maar poëzie is moeilijk om aan de man te brengen. De meeste bundels verkoop je toch tijdens optredens, op dichtavonden enzovoort. En via mond-tot-mond. Ik ben niet actief op social media. Maar zo af en toe sta ik in een verzamelbundel, zoals in een poëziebundel van het Rijksmuseum, waarvoor gedichten bij schilderijen zijn gemaakt. Ik heb voor Hendrick Avercamp gekozen.”

Kleine ijstijd

Sleetrekkend stampen dampende paarden
langs een bevroren vlet, een vallend kind
een zeil bollend in de vrieskoude wind
die rook blaast over besneeuwde daken

een meid die vuil water hijst uit een bijt
in een kadaver pikkende kraaien
kolvers die zich met de kliek vermaken
Gods toren wakend over arm en rijk.

In de hemel van het werelds vertier
gaat een boer gebukt onder een baal hooi
pist een schooier tegen een kale boom
zijn landlieden dronken van kruidenbier

zwieren gerokte dames hand in hand
over glad ijs met galante heren
staan vrouwen vrijelijk te hoereren
onder de winterlucht van Avercamp.

‘Winterlandschap met ijsvermaak’, Hendrick Avercamp, circa 1608, Rijksmuseum Amsterdam

 

__________________

‘Nooit loopt de weg dood’ van Harmen Malderik is verschenen bij uitgeverij Palmslag en kost euro 15,95. ISBN 978949305977

Harmen Malderik | Palmslag Uitgeverij

Malderik |

Pin It on Pinterest

Share This