OJ Frère (72) komt oorspronkelijk uit Rotterdam, maar woont alweer sinds jaar en dag in Haarlem. Op steenworp afstand van De Hout. Elke dag wandelt hij door de Grote én de Kleine Hout met hondje Ollie. Dan komen er woorden. Invallen. Regels. Dichtregels, die hij onmiddellijk noteert in zijn telefoon. Vandaaruit ontstaan de dagelijkse gedichten, waarvan onlangs een selectie online is verschenen. Tijd voor een wandeling met OJ Frère en zijn trouwe viervoeter.

door Paul Lips

Hij heeft niets van doen met Haarlemse poëziekringen en weet dus ook niets van gekissebis tussen dichters onderling. ‘Ik kén die mensen gewoonweg niet’, zegt hij laconiek. De oud-economiedocent krijg je niet makkelijk op de kast. Met zijn jarenlange ervaring in het onderwijs en de daarmee opgebouwde mensenkennis trekt hij moeiteloos de benodigde laatjes open, van ironie tot zelfspot en van relativering tot soms ronduit sarcasme. In zijn poëzie is er ook ruimte voor melancholie en bespiegeling. Máár: een gedicht moet wel altijd kloppen, vindt hij. Taalfouten, schrijffouten of stijlfouten zijn uit de boze. Wie hem er in een gedicht op weet te betrappen kan een fles wijn verdienen.

Over zijn uiterst genietbare poëzie is hij nuchter: “Ik weet ook niet precies wat ik er mee moet. Ik heb veel inspiratie en schrijf inderdaad dagelijks. Dat gebeurt gewoon. Ik heb ook geen idéé waar dingen vandaan komen. Andere mensen weten altijd beter waar dingen vandaan komen. Ik heb een trouwe mee-lezeres, zij kijkt kritisch naar mijn werk en vindt dus dat ik er meer mee zou moeten doen. Uitgevers aanschrijven.
Eerst dacht ik er nog over om inderdaad uitgevers te gaan benaderen, maar ik heb er vooralsnog voor gekozen om deze verzameling als digitale bundel op mijn persoonlijke weblog te zetten. Mocht er een uitgever geïnteresseerd zijn om er iets méér mee te doen dan zou ik dat heel leuk vinden.”
Op de lagere school kende OJ reeds gedichten van Annie M.G. Schmidt uit zijn hoofd, die hij prompt mocht komen voordragen in de toenmalige zesde klas. Later kwam hij in contact met het werk van de Vijftigers, waarvan vooral Remco Campert hem aansprak. De drang om zelf gedichten te schrijven was er toen nog niet. Wel begon hij met het schrijven van liedjes in de folk-traditie, met onder andere Bob Dylan en Leonard Cohen (‘die vind ik qua teksten véél beter dan Dylan’) als voorbeelden. En weer later ging hij ook liedjes in het Nederlands schrijven. Wat hij nu nog steeds doet en waar hij zondag 3 april een kort solo-optreden mee verzorgt in De Pletterij.


Terug naar de poëzie. Meteen al in het eerste gedicht zit een statement verwerkt: gedichten schrijven op verzoek, daar doet OJ Frère niet aan. ‘Dit komt me te dicht/op de huid,/van dat/heb ik geen verstand‘, schrijft hij. Een stadsdichter zal hij dus niet worden, met een rijmelarijtje hier en een divertissementje daar. Hoeft ook niet. Frère schijft weliswaar soms stadse gedichten, maar dat stadse element ontstaat bij toeval. En het kan zelfs zomaar gebeuren dat er een tram door een gedicht rijdt. Zal te maken hebben met zijn achtergrond in de havenstad. Voor het overige zijn het overpeinzingen uit het volle leven van een pensionado, compleet met ‘het keurslijf van de gewoonte van werk, slaap en leunstoel’ en (magere) ‘Hein’ die al bij de achterdeur staat, maar die hij nog niet binnenlaat. In de terugblikken op de jeugd worden Tomos-brommers bereden, wordt er Exota of muntthee gedronken, zo nu en dan een jointje gerookt en naar meisjes gefloten. ‘Groots leven wilden we/Het bestaan bestieren’. Tot je er achter komt dat je de wereld nauwelijks kunt veranderen en dat je slechts rondjes rijdt in je eigen ‘afgebouwde Märklin-wereld’.


Rijmen mag, maar is niet noodzakelijk. “Ik vind trouwens wel dat je in onberijmde gedichten goed moet kijken naar hoe je je zinnen opbouwt. Ik bouw vaak dingen op in vier regels, dan een open ruimte en dan weer vier regels. Daarbij let ik dan ook op het beeld van het gedicht. Dus vier-vier-twee kan ook prima, omdat er aan het einde meestal een ’twist’ in zit. Ik schrijf zo’n gedicht meestal in tien minuten. Inderdaad, op m’n telefoon. Naderhand lees ik ze nog door, dan verander ik wel eens iets, maar meestal schrap ik er woorden uit. Woorden toevoegen gebeurt nauwelijks. Woorden dubbel gebruiken in één gedicht is voor mij uit den boze. Daar moet je dan een synoniem voor bedenken. Als ik berijmde gedichten maak dan heb ik veel aan het werk en de boeken van Drs. P, die heel precies heeft geschreven over dichtvormen, rijmschema’s, metrum enzovoort. Over het algemeen ben ik daar te ongeduldig voor, maar ik kán het wel. Maar als je rijm gebruikt dan moet het ook écht helemaal kloppen naar mijn idee. Spelen met taal is zó ontzettend leuk. En heel boeiend.”
“Ik heb altijd wel een stel poëziebundels binnen handbereik. Ik lees ook altijd allerlei dichters door elkaar, dat zorgt voor een rijk palet aan inspiratie. Zo’n Shel Silverstein bijvoorbeeld – de meesten kennen hem als tekstschrijver van Doctor Hook & The Medicine Show’, wat ik van hem zo leuk vind zijn zijn rare wendingen. Vreemde gedachten. ‘De man zonder knieën’. De combinatie van die rare, kinderlijke gedachten én die tekeningen die hij er dan bij maakt vind ik geweldig. Het is ook in het Nederlands vertaald door diverse schrijvers, maar ik lees dat soort boeken in het Engels.”
“Komend weekend is het evenement ‘Passie = Fictie‘ van de Stichting Engagement in De Pletterij aan de Lange Herenvest. Zaterdag 2 en zondag 3 april, met amateurkunst, poëzie en muziek. Op zondagmiddag mag ik om drie uur een kort solo-optreden verzorgen met enkele van mijn eigen Nederlandstalige liedjes. In die liedjes kan ik altijd veel ironie verwerken. Misschien breek ik daar ook nog eens mee door, haha.”

OJ Frère – Sec-Hrlm – Stichting Engagement : Cultureel – Haarlem

De gedichten van O.J. Frère zijn te vinden via zijn website:
OJ Frere (kees-broersen.nl)

foto: Casper van Weerd

Pin It on Pinterest

Share This