GERARD PEDROLI OVER ZIJN ZOEKTOCHT NAAR VRIJHEID EN HOE ZIJN HOOFD EEN NACHTCLUB WERD

Op de cover van zijn nieuwe boek ‘Hoe mijn hoofd een nachtclub werd, Amersfoortse jaren 1967-1973’ zien we Haarlemmer Gerard Pedroli als jongeman. Een twintiger. Lange haren, donkere kleding, broek met wijde pijpen, bruinleren enkellaarsjes. De sixties zijn in volle gang. Provo, Flower Power, psychedelische muziek en maatschappelijke veranderingen. Pedroli geniet met volle teugen van de muziek, de vrijheid, de stickies en de liefde. Juist in die ‘zomer van de liefde’, het jaar 1967 belandt hij door amoureuze sferen in Amerfoort, dat slaperige stadje aan de rand van de Veluwe. ,,Ik klooide maar wat aan. Ik wilde niet volwassen worden. Maar uiteindelijk kwam ik mezelf gruwelijk tegen.’’

Gerard Pedroli (1946) herinner ik mij als die vrolijke vogel die bij ons thuis op de Delftlaan ook wel eens op een fuifje kwam. Hij woonde in die jaren zestig een flink stuk verderop, ook op de Delftlaan, precies tegenover het Mendelcollege. Vader Pedroli (1911-1988) werkte in die jaren voor tijdschrift de Katholieke Illustratie, bij uitgeverij Spaarnestad aan de Nassaulaan. Wim Pedroli was daar niet gelukkig. Hij werd van een hardwerkende Rotterdamse dagbladjournalist het hoofd van een opstandige Haarlemse redactie, van een tijdschrift met dalende omzet. Zoon Gerard heeft het allemaal – in een prachtige, poëtische stijl – beschreven in het boekje ‘Kort journaal, herinneringen aan mijn vader’, verschenen in 2016.

Gerards goede vriend Rob Bartlema vat de schrijfstijl van Pedroli als volgt samen: ,,Hij schrijft hele korte zinnetjes. Die zinnen breekt hij na een aantal woorden af. Dat lijkt achteloos, maar dat is het niet. Zijn stijl is heel geraffineerd.’’
Bartlema sprak deze woorden tijdens de boekpresentatie die werd gehouden in café het Wapen van Kennemerland/De Stinkende Emmer, op steenworp afstand van het Koeienpaadje en landgoed Elswout. Precies op die mooie locatie hebben we afgesproken voor een gesprek.

Pedroli: ,,Dat was een gezellig feest met een mooie mix van mensen. Er is zelfs nog gedanst bij de band die sixties muziek speelde! Sommigen vrienden die er waren ken ik al van vijftig jaar geleden. Er zullen mensen zijn die zich herkennen in de personages uit mijn nieuwe boek, maar ik heb hier en daar ook wel verschillende personen uit mijn leven samengesteld tot één figuur.’’
Zijn ‘Amersfoortse periode’ werd in de vroege herfst van 1967 eveneens ingeluid met een feest. Een blokhutfeest, dat wordt gegeven door Mendelcollege-maat ‘Julio’, die inmiddels studeert aan de Academie voor Beeldende Vorming Middeloo, provincie Utrecht. Per brief ontvangt Gerard de uitnodiging, waarin hem ‘veel muziek, drank en lekkere wijven’, wordt beloofd, alsook índien gewenst de mogelijkheid om naakt te zwemmen in een nabijgelegen meertje’. Met ‘de mokkels van Middeloo’ uiteraard, zoals Julio ze omschrijft, die ‘wilde boskatten’.

De eerste dag
van mijn Amersfoortse jaren
begint met een feest
bij een blokhut in het bos.
Daar dansen de meiden van Middeloo.
Met gulzige monden en brutale blikken
die oplichten in het donker.
Als ze te lang naar me kijken
sla ik mijn ogen neer.

Eén van die meiden van Middeloo is Sara, het meisje met de toverogen, die van kleur verschieten, van groen, naar grijs, naar blauw. Mystic Eyes.
Gerard is verkocht. Verliefd. In Haarlem is hij wel klaar, met die gehuurde kamer, strenge hospita en dat geestdodende fabriekswerk bij Walserij West van de Hoogovens in Beverwijk. De vrijheid had hij zich anders voorgesteld. Die ligt in Amersfoort. Een koffer met wat boeken, platen en kleren is snel gepakt. Richting Bergstraat, Amersfoort. Twee verwaarloosde huizen volgepakt met huurders. Huize Kakofonia & Huize Onrust, op nummer 20 en 22. Gerard en Sara trekken in de achterkamer beneden van nummer 20. Met een serre en openslaande deuren naar de tuin.


Hij beschrijft het in geuren en kleuren, en herinnert zich de tijd nog als gisteren. ,,Ik leefde daar als een bohémien. Genoot van het luisteren naar muziek op zo’n ouwe geluidsinstallatie. Een goede joint binnen handbereik. We liepen als een soort hippies dagelijks in dezelfde kleren en hadden geen cent te makken, maar we hadden het ontzettend naar ons zin. Het was de ultieme vrijheid.’’ De nachtconcerten in het Amsterdamse Concertgebouw werden trouw bezocht. The Band. The Doors (zonder Jim Morrison, die ‘out’ was gegaan na het verorberen van een blok hash). Jefferson Airplane. Flying Burrito Brothers. Grateful Dead, de band waarvan de optredens soms wel zes uur aaneengesloten duurden.

We hebben geen nagel
om onze kont te krabben
De huur moet betaald, eten gekocht.
En dan is ’t geld alweer op.
Maar luisteren naar muziek,
platen en concerten,
en het roken van hasj
is in onze ogen een levensnoodzaak.
Hoe kunnen we dat betalen?

Als Pedroli – met zijn Kinks-achtige kop – talent had gehad voor het maken van muziek, had hij zich in de kijker kunnen spelen, is mijn stelling. Hij moet lachen. ,,We probeerden natuurlijk zo nu en dan wat geld te verdienen. Dat leidde tot bizarre avonturen. Op een gegeven moment kregen we een drumstel cadeau. Van een Utregse koppelbaas voor wie we een klus hadden geprobeerd te doen. Dat drumstel belandde in de kelder. Ik heb daar aanvankelijk nog flink op geoefend. Het was meer raggen. Afreageren. Het had een therapeutische werking.’’

Met veel zelfspot (maar ook zelfkritiek) beschouwt Pedroli de zes jaren waarin hij eigenlijk had kunnen studeren of een carrière opbouwen. Uiteinlijk werd hij net als zijn vader journalist en redacteur. Met een glimlach denkt hij terug aan de jonge jaren op het Mendelcollege. De clashes met zijn ouders. ,,Ik was de oudste en de lastigste. Ik moest het pad banen. Ik had vriendjes, zoals Jules Havermans, die veel later thuis mochten zijn dan ik. Ik moest om half twaalf binnen zijn. Jules zei dan: ‘joh, de nacht is nog niet eens begonnen!’. Hij stookte me op. Ik had een grote bek. Lag altijd in de contramine. De confrontaties met mijn vader waren hevig. Niet leuk. Dat zal mede aan onze Italiaanse achtergrond hebben gelegen. Het ging zelfs een keer zó ver dat ik ’s nachts te laat thuis kwam en de buitendeur op slot vond. Dan ging je maar een rondje wandelen, in de hoop dat ze je toch nog binnen lieten.’’

Het boek ‘Hoe mijn hoofd een nachtclub werd’ verkoopt goed. Het verhaal leest als een trein, de beeldende stijl spreekt aan. De treffende fragmenten van songteksten van de magistrale muziek uit die wilde jaren – die Pedroli heeft toegevoegd aan het slot van elk van de 60 hoofdstukjes – geven de sfeer van een muzikale trip. De auteur heeft al veel positieve reacties mogen ontvangen. ,,Voor mij gaat het boek vooral over het veroveren van vrijheid. Ik wilde altijd overal bij zijn, dingen ontdekken. De intensiteit van die jaren heb ik geprobeerd te vangen. Een periode in mijn leven die tenslotte veel minder vrolijk eindigde dan hij begon.”

Er was geen vuiltje aan de lucht.
Geen teken aan de wand.
Ik zag alleen
de gouden regen
in mijn tuin,
maar niet de giftige zaden
op de aarde.

INTERVIEW: PAUL LIPS

‘Hoe mijn hoofd een nachtclub werd, Amersfoortse jaren 1967-1973’, Gerard Pedroli, MMPublications, ISBN 97830012

 

paulenremco