Wat zijn volgens stads- en regiogenoten de allermooiste Schone Kunsten? In deze Spaarnestroom-rubriek wordt uitgelegd welke en waaróm bepaalde kunstwerken steeds opnieuw blijven inspireren. Het zijn schone, en dus hóge kunsten.

Joost Mulder (1957) is zelfstandig vertaler Engels en Duits. In 2017 bracht hij het boek ‘Niet voor één gat te vangen’ uit, waarin het verhaal wordt verteld van oud-bloembollenreiziger op Amerika Ton Trossèl. Hij heeft een fijne neus voor interessante liedteksten en omslagillustraties van uitgaven daarvan. Daarnaast maakt hij deel uit van het Ampzing Genootschap, als zanger en bespeler van de (banjo)ukelele en mandoline. Momenteel bekwaamt hij zich ook in het bespelen van de trompet.

interview: Paul Lips

foto Joost Mulder: Amir Komelizade t.g.v. opening ‘Icons’ in Fries Museum

Muziek: ‘Dead Flowers’ in de versie van Steve Earle

“Je ziet hier in mijn woonkamer drie verdorde bossen bloemen staan. Daar ben ik gek op, net als op bloemstillevens. Ik moet meteen denken aan ‘Dead Flowers‘, in de live-versie van Steve Earle. Die vind ik beter dan de versie van de Stones. Steve Earle raakt mij sowieso meer dan de Stones. Hij is een door het leven getekende doorzetter en geweldige muzikant en liedjesschrijver. Ik heb hem denk ik twee keer zien optreden in Paradiso, indrukwekkend. Vooral het verhalende aspect van zijn nummers kan ik waarderen, net als bij Eric Taylor, een andere grootmeester, maar helaas overleden. Artiesten zoals zij zingen over een ander Amerika, een Amerika dat je niet gauw ziet. Maar ik wil eigenlijk ook graag een B-kant opgeven. Mag die straks als toegift?”

“Kunst bij ons thuis was jarenlang gelijk aan Openbaar Kunstbezit. Dat was een losbladige uitgave, met daarin besprekingen en superieure kleurenreproducties van telkens vier schilderijen. Die werden op tv besproken. Dat tv-programma werd op een gegeven moment overvleugeld door Pierre Janssen met het programma Kunstgrepen, dat veel meer kijkers trok. Mijn ouders hadden allebei belangstelling voor kunst. Mijn vader was in die tijd lid van een tekenclub en opa Van der Peet, mijn opa van moederskant, was een niet onverdienstelijk schilder. Hij was huisschilder van beroep, maar was ook een goeie ‘kopiist’ en maakte voor mensen op bestelling perfecte kopieën van de Nachtwacht, op huiskamerformaat. Hij had ook kunstboeken. Mijn eerste museumbezoek was met oma Mulder. Tijdens een logeerpartij bij haar gingen we vanuit de Amsterdamse Rivierenbuurt met de tram naar het Rijksmuseum. Mijn eerste kennismaking met moderne kunst was toen we tijdens een vakantie met het hele gezin naar het Kröller-Müller Museum in Otterlo gingen. In het Frans Hals Museum kwam ik voor de eerste keer pas met school, denk ik. Met m’n vader ging ik wel eens naar Teylers Museum. Vooral voor de vitrinekasten met fossielen en mineralen, en de apparaten. De kunst daar boeide me op dat moment niet echt. Nu wel. Ik vind de schaal van de schilderijenzalen daar perfect. Het is precies goed. Heerlijk om alleen voor één bepaald schilderij even binnen te lopen. ‘De tuin’, bijvoorbeeld, van Van Looy. Ik koop zelf zo nu en dan ook een kunstwerk, meestal onder het motto ‘There’s no budget like a low budget’.
Kijk, hier heb ik de tentoonstellingscatalogus ‘Icons, identiteit in portretten‘ liggen. Daar heb ik als vertaler aan meegewerkt. Een schitterende tentoonstelling in het Fries Museum in Leeuwarden, van portretten afkomstig uit de National Portrait Gallery in Londen. Bij de opening kon je door een fotograaf met een enorme verzameling verkleedattributen je portret laten schieten. Dat heb ik ook laten doen. Ik stuur het je wel op.”

_________________________

Neonkunst
“In 1990, ik was net voor mezelf begonnen als computerjournalist, ben ik met een van een broer van een vriendin geleende witte Buick van Lancaster, Californië naar Los Angeles gereden om het Museum Of Neon Art (MONA) te bezoeken. Dat museum is opgezet door neonkunstenaar Lili Lakich, later opgeheven en in 2016 heropend in Glendale, LA. Lili Lakich maakt fantastische werken, waaronder haar eigen versie van de Mona Lisa. Met haar team had ze ook allerlei oude neonreclames van vervallen bioscopen naar binnen gesleept, fantastisch. Alles wat met neon te maken heeft boeit me, ook het gebruik ervan in songteksten, zoals in Up Around the Bend van Creedence Clearwater Revival: ‘Hitch a ride tot the end of the highway, where the neons turn to wood’. Neon lokt, neon verleidt, stort je soms in het verderf, denk aan Las Vegas. Ook lichtkranten vind ik fascinerend. Maar neon is helaas op zijn retour. Het is natuurlijk een energievreter van jewelste. Maar vergeleken bij neon is het hedendaagse alternatief, ledverlichting, doods.”

___________________________

Schilderkunst
De Parketschavers‘, van de schilder en rijke kunstverzamelaar Gustave Caillebotte, zag ik meer dan vijfentwintig jaar terug in het Musée d’Orsay in Parijs. Ik was meteen verkocht. Een realistisch tafereel, met mannen met ontblote bovenlijven die op hun knieën parket zitten te schaven en te schrapen. Vanwege het ‘platvloerse’ onderwerp werd het 1875 geweigerd door de toelatingscommissie van de Parijse salon. Een jaar later hing zijn realistische werk tijdens de salon alsnog tussen dat van de impressionisten. Nu is het een van de topstukken van het Musée d’Orsay. Ik ben er nog steeds weg van.”

Les raboteurs de parquet, Gustave Caillebotte (1875), Musée d’Orsay, Parijs

Etskunst
“Vroeger op school tekende ik aardig, maar ik heb nooit serieuze pogingen gedaan het verder te ontwikkelen. De interesse in kunst is gebleven, maar dan vooral als kijker. Als ik de etsen van Rembrandt van Rijn en James Abbott McNeill Whistler zie, bijvoorbeeld, dan denk ik met enige afgunst ‘ongelooflijk dat die mensen dat konden’. Etskunst vind ik een heel bijzondere discipline. Ik hoop dit jaar een etscursus te gaan volgen Grafisch Atelier in de Waarderpolder. In het Rembrandthuis heb ik lang geleden deze molen van Rembrandt gekocht, een afdruk van de originele etsplaat. Molens spreken mij altijd extra aan omdat ik Mulder heet, molenaar. Door Whistler was ik een tijd lang ook gegrepen. Op een veiling op de Elandsgracht in Amsterdam dacht ik in mijn studententijd mijn slag te slaan door een werk van hem te kopen, maar toen ik het uit de lijst haalde bleek het een opgeplakt krantenknipsel.’

Poëzie
“Gedichten lees ik alleen sporadisch. Op de middelbare school werd ik gegrepen door het werk van Ed Hoornik, later door Vasalis en weer later enige tijd door Willem Jan Otten. Iets vanuit het perspectief van een eend in de Amsterdamse grachten, meen ik. Dylan Thomas en Ellen Deckwitz spreken me ook aan. Ik ben altijd gecharmeerd van een goede voordracht, zoals bij Dylan Thomas, maar ook bij Jules Deelder. Goeie dictie en timing. Tijdens edities van de Haarlemse Dichtlijn hebben we met het Ampzing Genootschap jarenlang de voordrachten bij café Koops. Daar heb ik op een gegeven moment de PC Uit Het Hoofd Prijs ingesteld. Voor de dichter die het best uit zijn of haar hoofd kon voordragen. Dat was naar aanleiding van het openingsoptreden van Ellen Deckwitz, die alles uit haar hoofd deed. Ik besteedde er tijdens die Dichtlijnsessies aandacht aan om de dichters goed aan te kondigen en op hun gemak te stellen. Poëzie heeft trouwens een rare positie. Dichten is een soort sport waarvan heel veel mensen denken dat ze die goed kunnen beoefenen, op een behoorlijk niveau. Als dichten een sport was zou het blessureleed niet te overzien zijn. Er was ooit een deelnemer die tevreden vaststelde dat hij zijn gedichten ’s ochtends aan het ontbijt zo uit zijn mouw schudde. Dat was ook te horen. Dichten in opdracht zoals stadsdichters dat geacht worden te doen lijkt mij een lastige klus. Met het Ampzing Genootschap hebben we een keer tevergeefs meegedongen naar het stadsdichterschap. Ik heb toen zelf het gedicht ‘Datsenraaps‘ geschreven, over een in het water weerspiegelde ‘averechtse Spaarnestad’. Later heb ik nog een keer een gooi gedaan. Ook dat is niks geworden, misschien maar goed ook.”

gedicht van Dylan Thomas op een muur in Leiden

Platenhoezen
“De klaphoes van ‘Diamond Dogs‘ van David Bowie, gemaakt door de Belgische kunstenaar Guy Peellaert, springt er in mijn platenverzameling nog altijd uit. Hoe dan ook een geweldig album, ‘Diamond Dogs‘. Nummers als ‘Sweet Thing‘, ‘We Are The Dead‘ en ‘Rebel Rebel‘. Aan de buitenkant Bowie met het achterlijf van een hond en met de airbrush verdonkeremaand geslachtsdeel. Die binnenhoes ziet er helemaal Turner-achtig uit. In die tijd werd er veel aandacht besteed aan platenhoezen. Met als een van de bekende hoogtepunten het album ‘Sgt. Peppers Lonely Hearts Club Band‘ van The Beatles, met dat hoesontwerp van Peter Blake. Begin jaren tachtig kwam de cd op, wat de doodsteek betekende voor de platenhoeskunst. Inmiddels wordt er weer heel veel vinyl geperst, met platenfabriek in de Waarderpolder letterlijk en figuurlijk als een van de hotspots. Ik heb al mijn vinylplaten bewaard. Dat is een eindeloze schat, ook qua hoesontwerpen.”

______________________

Toegift
“Het nummer ‘Feed Jake‘ van de Pirates Of The Mississippi zou ik graag als toegift aan deze lijst willen toevoegen. Ik heb zelf nooit een hond gehad, maar Feed Jake maakt de nauwe band tussen mens en hond ook voor mij invoelbaar. Het grijpt me altijd weer bij de kladden, wat me meteen doet denken aan ‘Hekkie‘ van Wim Sonneveld, ook bekend onder de naam ‘Het hondje van Dirkie’. Hoe het ook zij, in juni 1990 reed ik in een lichtblauwe VW Kever door Californië. Vanuit Lancaster, waar naar ik pas later ontdekte Frank Zappa en Captain Beefheart/Don van Vliet opgroeiden, was ik op weg naar het Mandalay Beach Resort in Oxnard. Daar zou ik een bijeenkomst van netwerkleveranciers bijwonen en er een stuk over schrijven. Die Kever had ik te leen van een dierenarts, waar de Amerikaanse studievriendin bij wie ik logeerde stage liep. Ik heb daar in diezelfde week zelfs nog een knieoperatie van een poedel bijgewoond. Op de dag waarop ik naar de kust reed was het nummer Feed Jake, dat waarschijnlijk net was uitgebracht, elk uur op de autoradio te horen. Met telkens weer het refrein met daarin die oproep in de trant van: ‘mocht ik in mijn slaap overlijden, zorg dan dat Jake te eten krijgt.”

_________________________

omslag tentoonstellingscatalogus ‘Icons, identiteit in portretten’

Pin It on Pinterest

Share This