Leestijd:

Reading Progress:

Wat inspireert… Guus Perisutti, het ‘boefie’ dat in de journalistiek belandde

Geplaatst op 2 augustus 2023

Haarlemmer Guus Perisutti (1959) zit vol verhalen waarmee hij al begint zodra we binnenstappen bij hem thuis. Over het klokje op de schoorsteenmantel, gescoord tijdens een zaterdagse antiekmarkt op de Dreef. “Volgens de verkoper was het een klokje van de Haagse School”, zegt Guus, die het vervolgens aanbood aan een expert. “Maar die expert beweerde dat er enkel een Haagse School in de schilderkunst heeft bestaan. Ik heb hem toen enkele gedownloade foto’s van Haagsche School-klokken gestuurd. Inmiddels loopt het ding trouwens weer.” Ondertussen legt hij een sfeervolle, zelfs relaxed klinkende elpee van John Coltrane op de draaitafel.
Aangezien Guus Perisutti op zijn Facebookprofiel zo nu en dan wapenfeiten deelt uit het verleden (met namen als Joy Division, beeldend kunstenaar Rudi van de Wint en discotheek Tamberlain) is het de hoogste tijd dat we hem een keer aan de tand voelen.

interview: Paul Lips
foto’s Guus Perisutti: Remco van der Kruis/Spaarnestroom

© Remco van der Kruis

Hoe is de stemming?
“De stemming is van binnen wel goed, ook al ben ik al drie weken snipverkouden. Veel mensen zijn niet happy als ze single zijn, maar dat ben ik toevallig wel. Ik beschouw mezelf als een happy single. Eerder was ik veertien jaar getrouwd. Ik heb twee hele lieve (volwassen) dochters. Ik voel me goed en verveel me nooit, vooral niet in m’n hoofd. Veel herinneringen heb ik haarscherp op m’n netvlies staan.”

Straks gaan we het hebben over een aantal van die herinneringen. Maar eerst: waar groeide je op?
“Ik ben geboren in Owerri, een dorp in Nigeria. Mijn vader was destijds boormeester bij Shell. We hadden het goed, een groot huis, bedienden en een zwembad. Mijn moeder lag dagelijks met vriendinnen aan dat zwembad. Mijn vader was een ‘selfmade man’. Hij was commando bij de marine geweest. Streng en driftig. Daardoor was de sfeer thuis vaak gestressd. Vriendjes waren bang voor hem.
Uiteindelijk gingen wij begin jaren zestig terug naar Nederland en kwamen terecht in IJmuiden, in de Planetenbuurt. Veel voetballen met vriendjes in het plantsoen daar.
Tijdens zo’n voetbalmiddag heb ik trouwens nog een vreselijk ongeluk meegemaakt. De bal kwam op straat terecht waarbij een van de voetballers – mijn beste vriend toen – er achteraan ging. Op dat moment kwam er een Shell-tankauto in volle vaart aangesneld. Je kunt je wel voorstellen hoe dat afliep. Dat joch heeft maanden in het ziekenhuis gelegen. Een hele trieste gebeurtenis die me erg aangreep.”

© Remco van der Kruis

In dat hele IJmuiden was in die jaren niet veel te beleven lijkt me.
“Uiteindelijk ben ik er ook gevlucht. Mijn middelbare school was de Vissering Scholengemeenschap. Er waren wel activiteiten in het PEN-gebouw en het waren de jaren dat de unieke muziektheatergroep Hauser Orkater aan de weg timmerde. De Van Warmerdams – met Alex, Vincent en Marc – woonden boven de Stadsschouwburg aan de Groeneweg. Zij maakten met die hele groep fantastische voorstellingen, ook in dat PEN-gebouw wat uiteindelijk het Witte (‘Tejater’) Theater werd.
Ik was een bozige jongen in die jaren. Opstandig, in de puberteit. Wat ik wil dat doe ik gewoon, was mijn houding. Of nee: ‘als ik het doe, dan doe ik het tóch’. Dat was de kreet. Ik was een boefie, had ‘foute vriendjes’, zo noemden ze dat in die tijd. Ik was rauw in het rauwe IJmuiden. Ging op m’n zestiende al naar bar-dancing De Bascule aan de Kennemerlaan. Ja, daar werd inderdaad regelmatig gevochten. Daar zal ik zelf echt nooit, nooit aan meedoen. De Bascule bestaat inmiddels niet meer. Ik kwam ook wel in buurthuis De Brulboei bij de sluizen. Daar heb ik trouwens The Bintangs nog zien spelen. Snoéi- en snoéihard was dat. Later heb ik er nog weleens over gedroomd: dat ze er zó hard speelden terwijl ik probeerde door de deur naar binnen te gaan. En dat dat niet lukte vanwege die wall-of-sound. En ik maar duwen. Inmiddels ben ik trouwens geen boefie meer. Ik denk dat ik in de loop der jaren wel ben veranderd. Een ‘lievere’ persoon ben geworden.”

Hoe kwam dat boefie uiteindelijk in de dagbladjournalistiek terecht?
“In Akersloot had mijn vader een boot. Die boot lag naast de boot van Wout Middelbeek, en dat was de hoofdredacteur van de Verenigde Noord-Hollandse Dagbladen. We raakten in gesprek en hij vroeg me wat ik wilde worden. Die vraag kwam zomaar ineens. ‘Journalist’, was mijn spontane antwoord. Dat was het eerste dat in me opkwam. Of het mijn vader is geweest die dat met Wout had voorgekookt zullen we nooit weten.
Wout Middelbeek nodigde me uit om te solliciteren bij de krant. Zo’n sollicitatie stelde niet zo veel voor destijds. Ik kon meteen aan de slag en mocht kiezen voor welke van de zeven edities van de VND ik wilde gaan schrijven. Ik wilde wel weg uit het rauwe IJmuiden en koos voor Den Helder. Ik kwam terecht in een flatje en leidde mijn eigen leven. Het waren de zogeheten wilde jonge jaren. Ik lustte er wel een of twee haha. In de jaren tachtig heb ik overigens nog een tijdje in IJmuiden gewerkt.”

Jeffrey Savelsbergh (archieffoto)

Maar je kwam kennelijk ook regelmatig naar Haarlem…
“Rond 1976 barstte de discotijd los en voor de beste muziek moest je in Tamberlain wezen, dat pand boven Albert Heijn aan het einde van de Grote Houtstraat. De beste deejay was Jeffrey Savelsbergh, die draaide de hits uit die tijd. In de kleine uurtjes schakelde hij dan over op underground. Ongelofelijk goed. Jeffrey zette Tamberlain landelijk op de kaart. Hij was de leermeester van de nu internationaal bekende DJ Marcello. Jeff was een van de eerste die niet meer kletste tussen de platen door, want dat was nog gangbaar begin jaren zeventig, met die drive-in discotheken en zo. Ik raakte bevriend met hem en heb in die tijd nog stapels platen voor hem uit Amsterdam gehaald, die hij dan meteen op ‘draaibaarheid’ testte. Jeffrey is in 2020 overleden. Ik zocht hem thuis in Eindhoven op om afscheid te nemen en heb nog aan zijn sterfbed gezeten, indrukwekkend was dat.
Tamberlain was dus ’the place to be’, naast De Schakel in Amsterdam en Cartouche in Utrecht. Met mijn toenmalige vrienden was ik er vaak donderdag-, vrijdag-, zaterdag- en zondagavond tot diep in de nacht. Ik was een meubelstuk, en vooral met meiden bezig. De tijden van Pisang Ambon met Seven-Up, een bewust zoet drankje omdat ik sinds mijn twaalfde jaar diabeet ben en daarmee mijn bloedsuikergehalte op peil hield. Tot vier uur ’s nachts dansen – en dan met de auto terug naar Den Helder. Ik had in die tijd een Fiat Spider, maar zelfs in de winter reed ik rustig met het dakkie open en voelde me volmaakt gelukkig.”

En dan ’s ochtends weer op tijd naar de redactie…
“We deden echt alles in die tijd. Meestal twee grote verhalen per dag. We gingen overal op af. In 1980, toen ik nog leerling-journalist was, stuurde de chef-redactie me naar de opening van een tentoonstelling, een presentatie van het Nollen-project van Rudi van de Wint. Ik wist de ballen van kunst. Toen ontmoette ik die relatief lange, magere en mooie man. Dat bleek Rudi van de Wint. Ondanks het verschil in leeftijd en intelligentie voelde ik meteen een klik. Hij heeft me veel over kunst geleerd.”

Rudi van de Wint (1942-2006) is vooral bekend van de enorme schilderingen in de vergaderzaal van de Tweede Kamer die momenteel wordt verbouwd. Maar hij was als kunstenaar heel erg veelzijdig begrijp ik. En jij raakte min of meer bevriend met hem?
“Ja, ook al kon ik hem niet echt als vriend beschouwen. Zo zat hij trouwens niet in elkaar. In de zin van vriendschap was hij juist weer afstandelijk. Hij kon trouwens ook héél erg kwaad worden. Zijn levenswerk was het totaalkunstwerk in natuurgebied De Nollen, een voormalige vuilnisbelt gelegen in een duingebied bij Den Helder. Daar zijn nog steeds rondleidingen – heb ik ook jarenlang gedaan en doe ik nog weleens – en zijn veel van zijn kunstwerken te bezichtigen. Hij begon als schilder, maar ging later enorme objecten maken waarbij hij vaak gebruik maakte van cortenstaal. Naast De Nollen is ook elders werk van hem te zien. Voor het stadhuis van Groningen maakte hij een plafondschildering, evenals voor Paleis Noordeinde in De Haag.”

En dan zie ik in april 2021 ineens op jouw Facebookprofiel een foto van premier Rutte voor dat rode doek met de volgende tekst: ‘Trots zijn op dit kunstwerk komt wijlen Rudi van de Wint toe; ik ben gewoon dankbaar dat ik heb mogen helpen het op te hangen (plakken)’.
Jij was dus betrokken bij de totstandkoming van dat magistrale monumentale kunstwerk ‘De Oneindige Ruimte’. Vertel!
“Voor dat kunstwerk in de vergaderzaal van de Tweede Kamer viel de keus uiteindelijk unaniem op Rudi van de Wint. Hij kreeg carte blanche om daar aan de slag te gaan. In zijn loods in Huisduinen werden die torenhoge doeken geschilderd, met olieverf, laag voor laag. Ruud schilderde met de vlakke hand of met zijn vingers. Dat werden uiteindelijk zeventien lagen! Dat moest natuurlijk allemaal naar Den Haag. Voor Ruud kwam de kunst op nummer één, twee en drie. Vriendschap deed er niet zo toe. Als je maar meehielp. Ik begreep en accepteerde dat.
Ik zei nog tegen Ruud: ‘Hoe ga je dat allemaal vervoeren?’. Hij zou ze oprollen. Maar bij olieverf duurt het een flinke tijd eer dat het droog is. Nou dat zag hij daar dan wel weer, zei hij. Dus ik heb hem met anderen ter plekke in de zaal helpen plakken. Het plakken van al die stroken.
Dat Van de Wint carte blanche kreeg voor de opdracht betekende voor hem strikte geheimhouding tot aan de onthulling. Hij heeft eens gezegd dat hij bij wijze van spreken net zo goed een dikke karper had kunnen schilderen. Maar terwijl wij het opplakten, kwamen er steeds ambtenaren om de hoek kijken. Dat irriteerde hem en daarom haalde ik rollen onbedrukt krantenpapier uit Alkmaar op, die we ervoor hingen. Op de laatste dag kwam koningin Beatrix zelf (als liefhebber van kunst en vooral die van Rudi) kijken. Jammer dan, want er was op dat moment nog niets te zien.
Wat trouwens typisch Rudi was: ik logeerde die dagen bij een vriend in Den Haag en sliep letterlijk op de vloer. Terwijl Rudi in Hotel des Indes overnachtte, dat had hij goed voor zichzelf geregeld.”

Nog even terug naar de muziek. Aanvankelijk genoot je met volle teugen van de hoogtijdagen van de discomuziek. Maar ik las ook dat je hield van Joy Division, de postpunk-newwave band die het sombere begin van de jaren tachtig kleurde.
“Toen ik dat album ‘Unknown Pleasures‘ in 1979 voor het eerst hoorde (met daarop ‘Love Will Tear Us Apart’) was ik meteen verkocht. Het was alsof ik in een pút donderde. Ik draaide niets anders meer. Zodra ik thuiskwam: hup, die plaat keihard op de koptelefoon. Nu kan ik die muziek niet meer horen trouwens. Veel te somber.
In mijn tijd als journalist heb ik trouwens regelmatig popmuzikanten mogen interviewen. Mensen als Peter Hook van New Order (een band die na de dood van Ian Curtis ontstond uit Joy Division), Gil Scott-Heron, Robbie Robertson (bekend van The Band), Linton Kwesi Johnson, Nick Cave, Kim Gordon van Sonic Youth en Kruder & Dorfmeister. Ook Annette Peacock, een experimentele artieste die van invloed is geweest op tal van artiesten en genres. Maar ook Philip Glass, de vermaarde componist van minimal music. Om hem te spreken kreeg ik maar een half uurtje. Zo ging dat. De verzamelde pers en dan een voor een naar binnen.
Het gesprek met Philip Glass liep goed, het leek te klikken tussen ons. Dus dat ging een enorm verhaal opleveren. Hij vertelde zelfs nog over zijn buurvrouw in New York, dat bleek Laurie Anderson te zijn. Ik maakte er een paginagroot verhaal van voor de krant. Je zult begrijpen hoe groot mijn teleurstelling was toen ik de papieren krant onder ogen kreeg en het verhaal flink was ingekort. De eindredacteur bij de VND had niets met muziek en al helemaal niets met Philip Glass.
Zulke dingen begrijp ik niet, dat je dan een schitterend interview in handen hebt en dat het dan zó wordt ingekort. En daarnaast: áls het dan ingekort had moeten worden, had míj het dan laten doen! Gelukkig is het verhaal bij de GPD (Gemeenschappelijke Pers Dienst) wél integraal gepubliceerd.”

Philip Glass (foto Guus Perisutti)

Nu ga ik een lastige slotvraag stellen. Welke clip moeten we tot slot van dit artikel plaatsen?
“Dat is lastig kiezen. Een groot deel van mijn platenkast bestaat uit elpees van John Coltrane. Ik heb een hele rij moderne jazz (vanaf 1959). Als ik eenmaal fan van een artiest ben word ik een echte ‘hoarder’, dan wil ik er alles van hebben. Band als Talk Talk (met zanger Mark Hollis) vind ik ook geweldig, een prachtige debuutplaat en vervolgens nog een aantal albums waarbij je ziet hoe de muziek beter wordt… Robert Wyatt, ook zo’n geweldenaar. En The Fall uit de punk- en postpunk-tijd. Met Mark E. Smith. Heerlijk omdat het zo rammelt.
Maar als YouTube-clip bij dit artikel kies ik dan het liefst voor The Jimmy Castor Bunch met ‘Troglodyte‘. Fijne funk met vette bass en drums. Vooral omdat het clipje hilarisch is: Een holbewoner die een plastic pick-upje aanzet, zijn koptelefoon op en dan dansen.”

MEER OVER HET DE NOLLEN-PROJECT VAN RUDI VAN DE WINT:

De Nollen | De Nollen (projectdenollen.nl)

We stellen jouw beoordeling op prijs.

Klik op een ster om dit artikel te beoordelen

Gemiddelde waardering: 4.3

Tot nu toe geen stemmen! Wees de eerste die dit bericht waardeert.

Het spijt ons dat dit artikel niet aan jouw wensen voldeed!

Laten we dit artikel verbeteren!

Vertel ons hoe we dit artikel kunnen verbeteren?

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vergelijkbare artikelen

Pin It on Pinterest

Share This