WAT INSPIREERT… HENDRIKJE VAN DER SMAGT

 

Koninginnebuurtbewoonster Hendrikje van der Smagt (1956) is gemeenteraadslid voor de VVD. Ze houdt er van om sturend en actief op te treden binnen de Haarlemse politiek. Ze woont aan de rand van de zogeheten Kleine Hout. ’Een heerlijke omgeving’, zegt ze er zelf over.

 

Hoe is de stemming?
,,Ik ben eigenlijk heel gelukkig. Ik ben nu zestig, en beschik met het klimmen der jaren over meer zelfvertrouwen en levenswijsheid. In de politieke arena voel ik me redelijk als een vis in het water. Ik heb de portefeuille bestuur en ontwikkeling, dus dan moet je denken aan financiën, vastgoed, ruimtelijke ontwikkeling en juridische zaken. Ik leer elke dag ontzettend veel. De wereld van de politiek is een bijzondere wereld, daar moet je denk ik ook wel een beetje ijdel voor zijn. Het is een wat stroperige omgeving. Als je een lepel in de stroop zet blijft-ie daar rechtop in staan. In mijn geval ben ik blij als er millimeters kunnen worden gemaakt. Ontwikkelingen in de stad gaan niet zo snel, die gaan altijd in fasen. Dus ben ik blij met elke millimeter.’’

 

Had je altijd al de ambitie om de politiek in te gaan?
,,Ik ben twintig jaar werkzaam geweest in de advocatuur. Dat was topsport. Niet zelden was ik tot diep in de nacht bezig om dossiers te bestuderen. Vervolgens ben ik me gaan richten op huiswerkbegeleiding voor kinderen, in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. Heel leuk om te doen, maar als liberaal besloot ik op een gegeven moment dat ik daarnaast actief wilde worden in het openbaar bestuur. Dat betekende aanvankelijk veel op de tribune zitten, en bij de fractievergaderingen aanwezig zijn. Het is heel erg boeiend om met mensen samen te werken, ook al zijn ze van een andere politieke kleur. Tegenspraak, daar heb ik geen bezwaar tegen. Dat houdt je scherp.’’

Bioscoop Du Midi aan de Apollolaan (archieffoto)

Waar groeide je op?
,,In Amsterdam, op de Amstelkade. In de Rivierenbuurt, vlakbij de Churchill-laan. In een beschermd, calvinistisch gezin. Protestants-christelijk. Ik was de oudste van twee meisjes. Mijn vader was directeur van een filmverhuurbedrijf. Via beurzen deed hij de distributie van films voor bioscopen. Je moet dan denken aan films als ’The Sound Of Music’, ’Mary Poppins’ of die serie Louis de Funés-komedies. Mijn moeder had interesse in beeldende kunst en literatuur. Die belangstelling heb ik van huis uit meegekregen. Ook al groeide ik beschermd op, ik kreeg van mijn ouders wel bewegingsvrijheid. Ik mocht als kind bijvoorbeeld in mijn eentje naar de Du Midi-bioscoop op de Apollolaan, of met de trein naar het Frans Hals Museum in Haarlem. Ook ging ik naar het Rijksmuseum. Ik vond dat heerlijk. Later, toen ik naar het gymnasium ging, zocht ik de grenzen wat meer op. Roken, spijbelen, drinken. Mijn vriendinnen en ik waren overal te vinden waar het leuk was. Ook vandaag de dag is bewegingsvrijheid voor mij essentieel.’’

The Beanery, E. Kienholz, 1965

 

Bezocht je alleen de oude meesters, of had je ook interesse in moderne kunst?
,,Ik ging ook naar het Stedelijk Museum. Daar was op dat moment een tentoonstelling van de Amerikaanse kunstenaar Edward Kienholz te zien. Waanzinnige installaties met gefixeerde voorwerpen en menselijke figuren. Als meisje kwam dat bij me binnen. Ik besefte op dat moment de vergankelijkheid van de dingen. Nog steeds is een belangrijk werk van hem in de vaste collectie te zien: ‘The Beanery’. Dat is dat café in Los Angeles dat hij bijna letterlijk heeft nagemaakt, compleet met geluiden en geuren, en cafébezoekers met klokken als gezicht.’’

 

Hoe is het om in de Koninginnebuurt te wonen?
,,Wij kwamen begin jaren tachtig vanuit Amsterdam en Amstelveen hier terecht. Dit huis was het laatste in de reeks huizen die we bezochten. Joop en in keken elkaar aan en dachten precies hetzelfde: dit past als een jas. We zitten hier bij het bos, bij het centrum en ook bij de uitvalswegen van de stad. We hebben jarenlang een hond gehad, die helaas is overleden. Sarah. Een schat van een beest, een engel. Wij waren in de veronderstelling dat het een Franse basset was, oorspronkelijk een jachthond, die ongeveer 15 centimeter hoog wordt. Maar Sarah blééf maar groeien! Op een gegeven moment had ze een schofthoogte van 47 centimeter, een knots van een hond dus. Saar was heel eigenwijs, en heeft dertien jaar ons leven bepaald. Ze luisterde naar niemand. Ze was gewend om los te lopen. Als het regende en ik met haar door de Hout wandelde, dan liep ze zelfstandig richting huis. Als ik dan doorweekt thuiskwam lag zij al in haar mand, haha.’’

 

Tot slot, van welke muziek hou je?
’Tijdens het stofzuigen draai ik Johnny Cash altijd heel hard, vooral zijn plaat At St. Quentin, live opgenomen in de gevangenis aldaar. Daarnaast zijn The Beatles, Simon & Garfunkel en Bob Dylan vaste waarden. Ook dat soloalbum Graceland van Paul Simon vind ik geweldig. Eind jaren zeventig was ik ook gek op die plaat ‘Bat out of hell’ van Meat Loaf, nog steeds leuk om te horen.’’


INTERVIEW: PAUL LIPS

FOTOGRAFIE: REMCO VAN DER KRUIS

(Dit artikel verscheen eerder in wijkkrant De Willemien van de Koninginnebuurt)

paulenremco

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *